Kies je taal:

Nieuwe gedichten
Martinus Nijhoff


1934, poëzie
Nijhoff Cover Nieuwegedichten

Een dichter die moeder en broer verloren heeft, maar ook vrouw en kind, gaat aan zijn schrijftafel zitten. Zijn schrijvende alter ego woont in de woestijn van de grote stad en zoekt een reisgenoot.

Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.
Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
Zodra de rode zon is opgegaan
gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
 

Die man wordt de hoofdrolspeler in het epische gedicht dat zijn naam draagt en waarvan de vorm teruggrijpt naar het elfde-eeuwse Chanson de Roland. In zijn nawoord bij de door hem samengestelde bloemlezing uit de poëzie van Joseph Brodsky (De herfstkreet van de havik) heeft Kees Verheul het over de grote indruk die Nijhoffs ‘Awater’ heeft gemaakt op de Russische Nobelprijswinnaar. Verheul voegt daaraan toe:

Een ervaren Nijhoff-lezer zal waarschijnlijk bovendien verrast zijn door een treffende overeenkomst tussen de gedichten “De herfstkreet van de havik” [= een gedicht van Brodsky] en “Het lied der dwaze bijen”; in beide gevallen is het kerngegeven dat van een hoger en hoger naar de hemel stijgen, tot het gevleugelde dier bevriest en in de gedaante van sneeuw naar de aarde dwarrelt.

Ook ‘Het lied der dwaze bijen’ stamt uit Nieuwe gedichten en markeert een duidelijke breuk met Nijhoffs vroegere opvattingen over het dichterschap. In de jaren dertig van de vorige eeuw gold Adriaan Roland Holst nog als de ‘grote dichter’, de ‘poeta vates’, hunkerend naar een buitenwerelds ‘ander land’. In vergelijking met hem beschouwde Nijhoff zichzelf als een ‘poeta minor’, een dichter die vleugels miste. Maar in Nieuwe gedichten, een bundel die het licht zag ten tijde van de grote economische wereldcrisis die in Duitsland tot de machtsovername door Hitler had geleid, ontwikkelt Nijhoff een nieuwe, zelfbewuste en modernistische poëtica. Weg van elk boven- of buitenwerelds ideaal, richt hij zich naar de aardse werkelijkheid.

Wie wil weten hoe dat in de praktijk vorm krijgt, leze ‘Het veer’, of het sonnet ‘De vogels’ met die verrassende versregel ‘De hemel vraagt om kruimels van het land’ (een omkering van het Bijbelse verhaal in Exodus waarin het manna neerdaalt uit de hemel). Herlees tot slot ook ‘Awater’, een – weliswaar niet ondubbelzinnig (‘Lees maar, er staat niet wat er staat’) – loflied op de moderniteit. Die wending naar het aardse is overigens niet onproblematisch, zo blijkt uit ‘Impasse’. Daarin krijgt de dichter van zijn geliefde geen antwoord op zijn vraag: 'waarover wil je dat ik schrijf?'

Het modernisme van Nijhoff leunt nog het dichtst aan bij een internationale stroming die men Nieuwe Zakelijkheid noemt. Die stroming was oorspronkelijk afkomstig uit de architectuur. In de literatuur wordt ze gekenmerkt door een voorkeur voor alledaagse onderwerpen en een bewust kale stijl. Zo gebruikt Nijhoff in ‘Het klimop’ de zinsbouw van de spreektaal:

Als ik langs ’t ziekenhuis waar zij verpleegd werd loop,
het is niet omdat ik op haar opstanding hoop,
het is omdat (…).
 
Zijn sonnet ‘De moeder de vrouw’ begint met de meest prozaïsche versregels uit de Nederlandse poëzie, over de dichter die naar een brug ging kijken. Het gedicht eindigt weliswaar met een visioen, over een psalmen zingende moeder. Naar sommige dichters wordt na hun dood een straat vernoemd. Nijhoff kreeg een brug. Die bevindt zich – uiteraard – in (Zalt)Bommel.
 
Meer weten?
- De derde druk van Nijhoffs Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn), die verscheen bij uitgeverij Bert Bakker (Amsterdam, 2001) is integraal te vinden via de DBNL.

- Ontdek meer over het gedicht Het kind en ik op de website van de Leidse muurgedichten.

Nieuwegedichten

Martinus Nijhoff

Nijhoff

Martinus Nijhoff (Den Haag, 1894 – Den Haag, 1953) kreeg de liefde voor de letteren van huis uit mee: hij werd geboren in een familie van boekhandelaars, uitgevers en bibliografen. Nijhoff ging rechten studeren aan de universiteit, maar publiceerde ondertussen gedichten in het studentenblad en zou nooit actief zijn als jurist. In 1916 trouwde hij met Antoinette Hendrika (Netty) Wind, die als A. H. Nijhoff naam maakte als schrijfster. Na de Eerste Wereldoorlog verwierf Martinus Nijhoff gaandeweg faam als dichter en vertaler, al schreef hij daarnaast ook toneel en essays.

Met Nieuwe gedichten (1934), en in het bijzonder met het gedicht ‘Awater’, liet hij een blijvende indruk. Andere belangrijke werken zijn de debuutbundel De wandelaar (1916), de bundel Vormen (1924) en het lijvige gedicht ‘Het uur U’ (1937). In 1950 verscheen Het heilige hout, een bundeling van drie toneelteksten ter gelegenheid van Pasen, Kerstmis en Pinksteren, waarvan vooral het kerstspel een ongeziene populariteit genoot in Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog schreef Nijhoff vooral nog gelegenheidsgedichten. Hij werd adviseur bij het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en werkte mee aan het allereerste Groene Boekje, dat in 1954, een jaar na zijn overlijden, verscheen.

Naast dichter was Nijhoff ook een gewaardeerd vertaler van met name Engelse literatuur, onder andere van Shakespeare en T. S. Eliot. Zijn vertaalwerk kenmerkt zich door precisie en perfectionisme: hij bleef steeds zoeken naar het juiste woord. Na zijn dood werd de belangrijkste Nederlandse vertaalprijs naar hem genoemd. 

Context