Kies je taal:

Elias of het gevecht met de nachtegalen
Maurice Gilliams


1936, proza
Gilliams Elias

‘Als Aloysius ons hart verontrust, hangen we in de werkelijkheid onderstboven als betoverde apen’. Het is wellicht een van de meest verrassende openingszinnen uit de Nederlandse literatuur.

Het gaat al meteen over ‘verontrusting’ en ‘betovering’, over een ‘andere’ ervaring van de werkelijkheid, in de belevingswereld van de twaalfjarige Elias. Hij is in de ban van zijn iets oudere neef Aloysius, met wie hij op pad gaat in de omgeving van een landhuis: zij laten samen bootjes varen op de beek in het park.

Met deze roman was Maurice Gilliams zijn tijd ver vooruit, maar hij sluit ook aan bij een traditie. Elias is autobiografisch herinneringsproza dat niet zozeer een verhaal vertelt als wel een weergave is van de innerlijke ervaringswereld van een introverte, overgevoelige jonge knaap, die een ‘gevecht’ levert met de bekoorlijke ‘nachtegalen’ van zijn eigen verbeelding.

Gilliams wijst het traditionele feitenrelaas af – hij noemde het ‘worstenvullerij’ – en vervangt dit door een verkenning van het ik. Centraal staat de vraag: ‘Wie ben ik?’ In Gilliams’ dagboeken kunnen we lezen: ‘Ik ben Elias’.

Dit proza is een zoektocht naar zelfkennis, in de lijn van À la recherche du temps perdu van Marcel Proust, maar ook van Rainer Maria Rilke en het proza van Karel van de Woestijne. De jonge Elias wordt beheerst door een ziekelijke fantasie die hem ongeschikt maakt voor het ‘gewone’ leven. Hij leeft opgesloten in de wereld van ‘het kasteel’ en wil er uit ontsnappen via ‘de beek’, maar dat lukt hem niet. Die ruimtelijke tegenstelling staat symbool voor het dualisme waarin hij gevangen zit. Tegelijkertijd brengt de roman een milieuschets van de oude, Franstalige hogere bourgeoisie rond de eeuwwisseling, een uitstervende klasse die in een sociaal en geestelijk isolement leefde.

Heel bijzonder in Elias is dat deze ruimtelijke en inhoudelijke tegenstelling muzikaal wordt uitgewerkt: de twee thema’s worden tegenover elkaar gesteld volgens het principe van de sonatevorm. De structuur van de klassieke sonate, met zijn ontwikkeling van twee thema’s of motieven die steeds verder gemoduleerd worden, bepaalt de volgorde van de alinea’s, waarin het beekmotief en het kasteelmotief elkaar afwisselen of soms onmerkbaar in elkaar overgaan.

Dit unieke formele experiment bleef voor de eigentijdse lezers onopgemerkt, hoewel het door Gilliams zelf werd toegelicht in één van zijn dagboeken. De roman werd gelezen in de context van de ontwikkeling van de psychologische roman, die een analyse van het ‘zieleleven’ presenteerde. Maar Gilliams is daarin veel verder gegaan dan zijn tijdgenoten, zoals Maurice Roelants of Filip De Pillecyn. Hij was een meester in het ontrafelen van onuitgesproken indrukken aan de rand van het onderbewustzijn. In het boek is geen logisch opgebouwd verhaal te vinden, het gaat om een volledig zelfstandig geheel met fragmenten uit de leefwereld van een jonge knaap.

Elias is een ‘autonoom’ taalkunstwerk dat vooruitliep op latere ontwikkelingen in de literatuur, maar dat vooral door zijn gevoelswereld en zijn muzikale inspiratie (tot in het zorgvuldig geconstrueerde ritme van de zinnen toe) ook vandaag nog veel lezers en auteurs (zoals Stefan Hertmans en Erwin Mortier) blijft boeien.

Meer weten?

Bernard Dewulf koos Elias als zijn favoriete boek ooit.

Christophe Vekeman herlas Elias voor het radioprogramma Pompidou. Zijn verslag lees je hier.

Elias

Maurice Gilliams

Gilliams

De Antwerpse schrijver Maurice Gilliams (Antwerpen, 1900 – Antwerpen, 1982) was de zoon van een boekdrukker en werkte ook even als typograaf en drukker. Hij legde zich echter al snel toe op de literatuur. Als auteur zocht hij zelden de belangstelling op, waardoor er nog blinde vlekken zijn in ons beeld over zijn levensloop. Wel staat vast dat zijn eerste, kortstondige, huwelijk hem zwaar getekend heeft. De autobiografische roman Gregoria of een huwelijk op Elseneur (1938). In zijn tweede huwelijk vond hij meer rust. Gilliams werd in 1955 bibliothecaris van het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en was tussen 1960 en 1976 vast secretaris van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en Letterkunde (KANTL) in Gent. Hij was nauw betrokken bij een aantal literaire tijdschriften, waaronder Dietsche Warande & BelfortNieuw-Vlaams Tijdschrift en Raster.

Het grootste deel van Gilliams’ werk is autobiografisch van aard, maar hij schreef ook symbolische romans, zoals Het verlangen (1947). Het bekendst is hij echter voor Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936), dat met verschillende prijzen bekroond werd. Naast proza schreef Gilliams ook poëzie, met bundels als Het Maria-leven (1930-1931), Verzen 1936 (1936) en Bronnen der slapeloosheid (1954-1958). Van zijn essayistisch werk is vooral zijn studie over Paul van Ostaijen noemenswaardig: Een bezoek aan het prinsengraf (1952).

Hoewel zijn werk nooit een overrompelend succes werd bij het brede publiek en vooral door kenners gewaardeerd werd, mocht hij verschillende prijzen in ontvangst nemen, waaronder de Constantijn Huygensprijs (1969), de Driejaarlijkse Staatsprijs (1972) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1980). Twee jaar dood benoemde koning Boudewijn hem tot baron. 

Context