Kies je taal:

Beatrijs


< 1374, Marialegende, poëzie
Beatrijs Beatrijs 1

Van dichten comt mi cleine bate / die lieden raden mi dat ict late / ende minen sin niet en vertare: meteen in de eerste verzen van de Beatrijs presenteert de verteller zich als een volbloed dichter. Hij kan het dichten niet laten. Niet uit ijdelheid of winstbejag, maar uit liefde voor Maria vertelt hij het verhaal van een beeldschone jonge non – een kosteres – die haar jeugdliefde niet kon vergeten en daarom het klooster ontvluchtte.

Waar ze in het begin al voor vreesde, blijkt zeven jaar later waarheid te worden. Het geld is op en ze blijft alleen achter met twee kinderen. Zeven jaar leeft ze als hoer, maar dan komt ze tot inkeer. Bedelend trekt ze rond, met aan elke hand een kind, en zo komt ze in de buurt van haar vroegere klooster. In een visioen verneemt ze dat Maria al die jaren haar plaats heeft ingenomen, in haar gedaante. En zo kan Beatrijs ongemerkt de draad van haar vroegere leven weer oppakken.

Heel populair was de Middelnederlandse, berijmde Beatrijs niet in de middeleeuwen. Er is slechts één handschrift bewaard, en dat dateert uit 1374, mogelijk uit de omgeving van Brussel. Wel zijn er, verspreid over Europa, veel andere verhalen bewaard over een gevluchte kosteres die dankzij Maria kon terugkeren naar haar klooster. De oudste van deze ‘sacristinelegendes' zijn te vinden in het oeuvre van de 13de-eeuwse monnik Caesarius van Heisterbach. De Beatrice custode (‘over de kosteres Beatrix’) schreef hij boven een van die korte verhalen, die vooral moesten dienen om een preek rond te kunnen bouwen.

De literaire triomftocht van de Middelnederlandse Beatrijs begon met de uitgave door W.J.A. Jonckbloet in 1841. Literatoren, wetenschappers en onderwijzers erkenden de kwaliteit: het ritme van de verzen, de sierlijke dialogen, de fijne psychologische karaktertekening en de ogenschijnlijk simpele maar ingenieuze structuur vol spiegelingen. Enkel het slot van het verhaal – waarin Beatrijs via een visioen leert dat ze haar zonden nog moet opbiechten – werd minder gewaardeerd. Lange tijd heeft men aangenomen dat dat een latere toevoeging zou zijn.

In 1896 publiceerde het artistieke en literaire tijdschrift The Pageant een prozavertaling van de Beatrijs in het Engels. Die vertaling lag mee aan de basis van een internationale dynamiek rond het verhaal over de gevluchte kosteres. Maurice Maeterlinck, die later nog een Nobelprijs zou winnen, gebruikte het voor zijn toneelstuk Soeur Béatrice, dat overal in Europa de zalen deed vollopen. In 1911 volgde het succesvolle massaspektakel The Miracle, dat een jaar later verfilmd werd. Auteurs als P.C. Boutens en Herman Teirlinck haastten zich om met eigen bewerkingen te komen.

De Beatrijs-receptie bereikte haar hoogtepunt tijdens het interbellum, maar de belangstelling doofde daarna niet. Schrijvers als Gabriël Smit, Karel Jonckheere en Willem Wilmink waagden zich aan berijmde vertalingen. Ed Franck en Agave Kruijssen maakten bewerkingen voor de jeugd in proza. In 2012 verscheen zelfs een vertaling in Hongaarse verzen. Maar de meest opmerkelijke bewerking van de laatste jaren is toch wel de theatervoorstelling Beatrix, die de Afrikaanse zangeres en actrice LieSl Marx vanaf 2011 op de planken bracht. Tegen de achtergrond van kille cijfers over de hedendaagse prostitutie in Zuid-Afrika bracht zij een ontroerende monoloog over liefde en vergiffenis.

Meer weten?
Beatrijs 1

Ondanks het feit dat de Marialegende over de non Beatrijs tot de parels van onze middeleeuwse letterkunde behoort, weten we niet wie de auteur is van de tekst. Vroeger dacht men zelfs dat de korte legende door twee verschillende auteurs werd geschreven, maar ondertussen is men het er toch over eens dat één iemand de tekst op schrift stelde. Uit de openingsregels blijkt dat de auteur een beroepsdichter was, al verdiende hij dan kennelijk geen fortuinen: ‘Van dichten comt mi cleine bate / Die liede raden mi dat ict late’ (Dichten brengt me weinig op, men raadt me aan dat ik ermee stop). Mogelijk was hij een sprookspreker, een rondtrekkende dichter die met gelegenheidsoptredens en korte berijmde vertellingen zijn kost verdiende.

De auteur geeft aan dat hij het verhaal hoorde van ene broeder Ghijsbrecht, die het op zijn beurt in een boek vond. Inderdaad is de Middelnederlandse auteur niet de bedenker van het verhaal: er is een oudere Latijnse versie bekend van de hand van een Duitse monnik en het komt ook in andere Europese volkstalen voor. Zoals dat gebruikelijk was in de middeleeuwen bewerkte de Middelnederlandse auteur bekend materiaal tot een geheel eigen versie. Daarin is bijvoorbeeld veel meer aandacht voor de minne en voor wat er in het hoofd van Beatrijs omgaat. Het resultaat is een ruim langere tekst dan de oudere Latijnse versie.

Context