Kies je taal:

Het leven en de dood in de ast (Vie et Mort dans la touraille)


1926, prose

Dit fragment werd overgenomen uit:

Stijn Streuvels, Volledig werk III, Brugge: Uitgeverij Orion – N.V. Desclée De Brouwer (1972), p.763-765.

... De leegte hangt in het beluik der ovenkamer, gelijkt op een toneel met open gordijn, waar het “exit” uitgesproken werd en de spelers vertrokken zijn, of de helden, na een woest gevecht, gesneuveld liggen om nooit meer op te staan. Nu wippen de muizen uit hun hol, kijken benieuwd, wantrouwig rond naar die reuzen in honderdjarige slaap verzonken. Maar op een teken van de aanvoerder, zijn ze aanstonds druk in de weer, snuisteren in alle hoeken, lopen van hier naar ginder, vezelen malkander gewichtige dingen in 't oor. Er zijn er die bevelen uitdelen, anderen doen alsof ze 't beter wisten, en houden zich buiten greep. Na een tijd echter is alle schroom verdwenen, - het muizengoedje neemt gans de ruimte van het toneel in - en nu lijkt het waarachtig een intermezzo dat ze in de pauze, tussen de bedrijven van het drama der drogers, hier voor een onzichtbaar publiek komen opvoeren. Bij de muizen gelijk bij de mensen, handelt het stuk ook over de “struggle for life” (zinnelijke driften, wellustige hartstochten en liefdebetrekkingen spelen vooralsnog een ondergeschikte rol) - elk tracht er naar, zo goed mogelijk zijn daden in overeenstemming met de aard van zijn karakter te brengen, elk volgens rang en staat: terwijl de nederigen, de schuchteren, de deemoedigen, de mannen van niemendal, het kleinvolk, zich met een gewone suikerijboon tevreden stellen moet, sleuren en slaven om voorraad in het hol te slepen, bezig met hun kroost - zitten de voornamen, de rijken, de oversten en vette renteniers, te snoepen aan kruimeltjes brood, leggen eigenmachtig beslag op een hespenvelletje, alsof het dáár opzettelijk voor hen ware neergelegd; schuitige kerels, waaghalzen van de ergste soort, erkennen wet noch gezag, luisteren niet naar goede raad of gezond verstand, - klimmen de wanden op, klampen zich aan riemen vast, en wippen in de donkere holte van een etenszak binnen, waar ze, evenals echte dieven en rovers, de onaangeroerde boterhammen van mensen te keer gaan...

Het toneelspel neemt zijn gewoon verloop; nadat ieder zijn bekomste heeft en de nooddruft voldaan is, begint de leute en de zottemarterije, het buitelen en dansen, kachaaien en ginnegabben, piokken, takelen, tjokken, tinsen en titsen, trijkelen, kullebukken, hossebrokken, zeerden, pierlen, kokeren en dertelen, al overhoop, - alsof ze op eigen gebied, alleen meester waren en in de hele wereld niemand vrezen moesten. Geen enkel van die zotgemutste muizen die 't gevaar vermoedt welke hen boven 't hoofd hangt - die oog of oor heeft op 't geen in de donkere verdiepen van het dak, op de hanebalken verscholen zit - het gedrocht dat uit zijn verheven troon - heel dat kluchtspel van het brooddronken gespuis gadeslaat en afloert, om er op 't gepaste ogenblik tussen te springen, en aan 't spektakel van die balleganters een eind te maken. Gelijk het beeld van het Fatum, de “Deus ex machina” die de ontknoping brengen zal, zit de uil daar onbeweeglijk als een afgod, staart met ogen gelijk theepotten, aandachtig op dat woelig wereldje daar beneden, waar elk zijn lusten viert, zijn belangen najaagt, zijn evennaaste een voetje tracht te lichten... Op 't gegeven ogenblik, zonder ruit noch muit, ploft hij, evenals een vodde die valt, geruisloos op de grond, grijpt met de klauwen, slaat met de snavel, en floddert even geruisloos weer naar boven, met drie slachtoffers welke door 't noodlot waren aangeduid om te sneuvelen. In een oogpink - rrrt! - zijn al de muizen verdwenen - het tussenspel is uit. Het toneel blijft ledig, wacht op het volgend bedrijf van het drama... Maar de drogers liggen bewusteloos - van het treurspel der muizen hebben zij niets vernomen - hun lijf alleen is aanwezig, hun geest in afgelegen plaatsen en met ander dingen aan 't werk.