Kies je taal:

Die geestelike brulocht


± 1343, mystieke theologie

In dit fragment beschrijft Ruusbroec de strijd van twee geesten: Gods geest en onze geest.

De tekst is overgenomen uit: Ruusbroec, Opera Omnia (3): Die geestelike brulocht, r. b1558-1580, p. 465 en 467. De vertaling werd gemaakt door Guido de Baere.

In desen storme van minnen striden twee gheeste, die gheest gods ende onzen gheest. God, overmids den heilighen gheest, neyghet hem in ons, ende hier af werde wij in minnen gherenen. Ende onse gheest, overmids goods werc ende de minnende cracht, druct ende neyghet hem in gode, ende hier af wert god gherenen.

Van desen tween ontspringhet der minnen strijt: in dat diepste ghemoeten ende in dat innichste ende scaerpste bezuken wert elc gheest van minnen meest ghewont. Dese twee gheeste, dat es onse gheest ende gods gheest, blicken ende lichten die een inden anderen, ende elc toent anderen sijn aenschijn. Dit doet eenpaerlijcke die gheeste met minnen den eenen inden anderen crighen. Elc eyschet den anderen dat hi es, ende elc biedet ende nodet anderen dat hi es. Dit doet de minnende vervlieten. Gods gherinen ende sijn gheven, onse minlijcke crighen ende onse wedergheven, dit houdet ghestede die minne. Dit vloeyen ende dit wedervloeyen doet overvloeyen die fonteyne der minnen.

Aldus wert gods gherinen ende onser minnen crighen eene eenvoldighe minne. Hier wert de mensche van minnen beseten, dat hi sijns selfs ende gods moet vergheten, ende niet en weet dan minne. Aldus wert die gheest verberret int vier der minnen, ende comt soe diepe in gods gherinen, dat hi wert verwonnen in al sijn crighen, ende gheet te niete in al sijn werken; ende werket hem ute, ende wert selve minne boven al toevoeghen, ende besit dat innichste sire ghescapenheit, boven alle doechde, daer alle creatuerlijcke werke beghinnen ende inden. Dit es minne in haer selven, fundament ende gront van allen doechden.

In deze storm van minne strijden twee geesten, Gods geest en onze geest. Door de heilige Geest neigt God zich naar ons toe en zo worden wij in minne geraakt. En dankzij Gods inwerking en ons vermogen om lief te hebben drukt en neigt onze geest zich in God en daardoor wordt God aangeraakt.

Uit deze twee (bewegingen) ontspringt de minnestrijd: in de intiemste ontmoeting en het innigste en hevigste (wederzijds) verlangen wordt elk van de geesten door minne zwaar verwond. Deze twee geesten, dat is onze geest en Gods geest, flitsen en lichten de een in de ander en elk toont de ander zijn gelaat. Dit doet de geesten gestadig met minne in elkaar opstreven. Elk eist van de ander wat hij is en biedt de ander met aandrang aan wat hij is. Dit doet de minnenden in elkaar vervloeien. Gods aanraken en zijn geven, ons minnend streven en teruggeven, dat houdt de minne gestaag. Het vloeien en terugvloeien doet de bron van de minne overvloeien.

Zo wordt Gods aanroeren en ons streven in minne één enkelvoudige minne. Hier wordt de mens zo door minne bezeten, dat hij zichzelf en God moet vergeten en van niets meer weet dan van minne. Zo wordt de geest in het vuur van de minne verteerd en komt zo diep in Gods aanraking dat hij overwonnen wordt in al zijn streven, en tenietgaat in al zijn werkzaamheid en zich uitput, en zelf minne wordt boven alle toewijding, en het innigste van zijn geschapen bestaan bezit, boven alle deugden, waar alle geschapen activiteit begint en eindigt. Dit is minne in zichzelf, fundament en grond van alle deugden.